Erasmus en Jodenhaat
Het lijkt bon ton geworden om Desiderius Erasmus Roterodamus van zijn voetstuk te stoten. Of de door de Amerikaanse bezetters in scene gezette statucide 1) op Saddam Hoessein daarbij onbewust wellicht een inspirerende rol speelt, is schrijver dezes niet bekend.
Joodse godsdienst
Dat Erasmus geen humanist zou zijn, zoals door sommigen wel wordt beweerd, is een non feit. Het is zonde van de tijd en energie om daar tegenin te gaan. Van meer belang, want ogenschijnlijk "rationeel" en "redelijk", is de verdachtmaking van ‘antisemitisme’ 2), of, om de juiste term te gebruiken, van Jodenhaat. Ik zal aantonen dat deze beschuldiging geen vaste grond (wetenschap) onder de voeten heeft maar berust op onwelriekend drijfzand (ideologie; bewuste vervalsing).
Erasmus wees, als kind van zijn tijd, weliswaar volledige vrijheid voor de Joden af, maar deed dit vanwege hun godsdienst, pertinent niet omdat ze zouden behoren tot een ander of minder ‘volk’ of ‘ras’. Dat laatste zou pas in de 19de eeuw gebeuren, toen ook de verkeerde term ‘antisemitisme’ werd bedacht 3). In de 20ste eeuw is dit rassistische ‘antisemitisme’ door Hitler en zijn trawanten ‘vervolmaakt’ en in daden omgezet in de Endlösung / Shoah / Holocaust.
Kritiek op de Joodse godsdienst is uiteraard nog geen Jodenhaat, al wordt dit maar al te vaak, om iemand de mond te snoeren en in het verdomhoekje te plaatsen, luid rondgebazuind of - geniepiger - in stilte en vaak achter iemands rug om, gesuggereerd. Wel kán kritiek op de joodse godsdienst leiden tot Jodenhaat en het is zaak daarvoor te waken en ertegen te strijden, want Jodenhaat is een groot kwaad. Met elke vezel verzet ik mij tegen Jodenhaat en dat zou elke humanist en vrijidenker moeten doen.
Een boekje open doen
In 1996 verscheen van de vroegere directeur van de Haagse boekhandel Van Stockum, Hans Jacoby, bij Uitg. Heuff te Amsterdam het boek: ‘Een joodse saga en andere verhalen, beschouwingen en herinneringen’. Het bevat verhalen, beschouwingen en herinneringen van deze in 1904 in Salzburg (Oostenrijk) geboren auteur van Joodse afkomst die zich in de jaren 20 van de vorige eeuw in Nederland vestigde. Het hieronder weergegeven citaat over deze Jacoby is van de praktiserend christen Johan Blaauw, op diens website www.johanblaauw.nl: “In ‘Erasmus van Rotterdam, zijn tolerantie en het Jodendom’ laat H. Jacoby pijnlijk duidelijk zien dat Erasmus' veel geprezen verdraagzaamheid niet op Joden en het Jodendom van toepassing was en vraagt hij zich af of Joden die de Erasmusprijs ontvangen hebben, zoals Martin Buber en Simon Wiesenthal, zich wel de geestesgesteldheid van Erasmus voor ogen hielden.”
Ook hier is de vraag opportuun of Jacoby en Blaauw zich wel voldoende rekenschap gaven van het feit dat het Erasmus niet ging om haat tegen (de) Joden, maar om het bekritiseren en, inderdaad zeer hartgrondig en radicaal, afwijzen van het Joodse geloof. In zeer krasse - en soms al te krasse - bewoordingen, zeker, maar dat zijn we van de overigens zachtmoedige Erasmus gewend.
Uitverkoren volk
De Joden riepen zichzelf in de Oudheid uit tot Uitverkoren Volk op basis van hun geloof en hebben dat destijds vaak met bruut geweld, tot aan genocide toe, aan de hen omringende volken duidelijk gemaakt. Het Oude Testament staat er bol van. De joodse godsdienst is erin geslaagd om heel veel mensen op zijn minst huiverig te maken om kritiek te uiten op die godsdienst en (dus) het zelfverklaarde ‘uitverkoren zijn’. Anders gezegd: kennelijk lijken heel veel mensen bewust of onbewust toch enige waarde te hechten aan die absurde pretentie. (Dat Joden - net als christenen en moslims, hindoes, enz. – vrijelijk mogen verkondigen wat ze willen en dat zij hun godsdienst in vrijheid mogen belijden zolang ze geen geweld gebruiken om die waan aan anderen op te leggen, behoeft geen betoog.)
Erasmus’ strijd tegen het joodse geloof, nogmaals, was niet ingegeven door haat tegen ‘de’ Joden, de Joodse bevolking, maar gestoeld op zijn oprechte, diepgelovige, bijbelse (NT), a-semitische 8) godsopvatting. Volgens Erasmus was het joodse geloof (op schrift gesteld in wat joden de Tanach (Tenach) noemen en christenen het Oude Testament) achterhaald wánt, nog steeds volgens Erasmus, vervuld door Jezus Christus (overigens ook jood tot in zijn vezels) en door het Nieuwe Testament en het daarop gestoelde christendom. 4)
De joodse religieuze wetten, net als overigens de katholieke kerkelijke wetten, benauwden Erasmus. Daarnáást uitte hij persoonlijke aanvallen op joodse tijdgenoten, maar die waren altijd gericht tegen hun ideeën of optreden. Erasmus vond dat Joden/joden, net als ketters, gewoon moesten worden getolereerd. Nooit heeft hij opgeroepen op tot geweld tegen Joden/joden of tot het verdrijven van Joden/joden of tot onteigening van hun bezit - laat staan tot het in brand steken van hun bedrijfjes of synagogen (wat Maarten Luther, met wie hij in een onverzoenlijk conflict was geraakt, wel deed, en wel in 1543; dit was welhaast een blauwdruk voor de Kristallnacht van 1938. Hitler stelde Luther’s pamflet dan ook trots tentoon op nazi bijeenkomsten.)
(Overigens dient opgemerkt te worden dat in Lutherse landen als Zweden en Noorwegen nooit een dergelijke heftige Jodenhaat is geweest als in het - slechts ten dele - Lutherse Duitsland. Naast de godsdienst spelen dan ook sociaaleconomische en (historisch-)politieke factoren en omstandigheden een rol.)
De bewering dat Erasmus de weg heeft gebaand voor Luther’s Jodenhaat is ten enenmale onjuist en lijkt dan ook uitsluitend tot doel te hebben de tolerante geleerde en zijn hedendaagse bewonderaars (de mensen achter het Huis van Erasmus en humanisten bijv.) te belasteren. Nogmaals: élke andere godsdienst was voor Erasmus per definitie onaanvaardbaar. (Dit zien we bij alle monotheïstische godsdiensten, daar immers alle drie het alleenrecht op 'god' en 'de waarheid' claimen.) Om deze redenen vond Erasmus bijv. dat moslims en joden zich maar tot het christendom moesten bekeren. Dit is duidelijk een theologische stellingname en geen ‘rassistische’.
Pfefferkorn
Vaak haalt men het conflict tussen Erasmus en Pfefferkorn aan en juicht dan dat dit toch wel het ultieme ‘bewijs’ is dat Erasmus ‘antisemiet’ was. Laten we de zaak eens goed bekijken. Johann Pfefferkorn was van beroep slager en was, om aan een veroordeling voor inbraak en diefstal te ontkomen, tot het christendom overgegaan. Pfefferkorn, dit ‘arme slachtoffer van Erasmus’ toorn’, eiste onder meer verbranding van alle exemplaren van de Talmoed. De naam Pfefferkorn werd in die tijd niet voor niets spreekwoordelijk voor principeloze bekladders van hun eigen (oorspronkelijke) geloof…
Om een juist beeld van de zaak te krijgen is het nuttig om te citeren uit een lezing van Leo Molenaar 5) getiteld ‘Wat is het beeld van Erasmus’:
“De Anne Frank Stichting bracht in de persoon van de theoloog Hans Jansen 6) destijds, in 1989, een platenboek uit over antisemitisme met de volgende stelling, ontleend aan professor Heiko Oberman 7): ‘Erasmus gaat in zijn intolerantie tegenover Joden veel verder dan Luther.’ En Luther was een echte antisemiet, die Joden te lijf wilde gaan met onteigeningen en deportaties. Het bewijs van dominee Jansen bestond in hoofdzaak uit een felle uitval in een brief van Erasmus tegen de tot christen gedoopte Jood Johann Pfefferkorn: “Een volslagen gek, een onbeschaamde vlegel, die wij geen halve jood noemen, maar die door zijn daden laat zien, dat hij een superjood is. De duivel, de eeuwige vijand van de christelijke godsdienst, had zich geen beter instrument kunnen wensen dan een dergelijke engel van Satan, veranderd in een engel van het licht, die onder het voorwendsel dat hij de christelijke godsdienst verdedigt, overal het belangrijkste en beste van onze religie, namelijk de zichtbare eenheid, verwoest.” Pfefferkorn had zich volgens Erasmus tot christen laten dopen om de wereld te infecteren met zijn Joodse vergif. Deze onverkwikkelijke scheldpartij had tot gevolg dat sommige van onze leerlingen (van het Erasmiaans Gymnasium in Rotterdam, JB) afhaakten, en een hekel aan hun schoolpatroon kregen.
Maar wat was er aan de hand? De bekeerde Jood Pfefferkorn werkte voor de christelijke, Dominicaanse inquisiteurs in Keulen. Hij werkte mee aan de ketterjacht op afwijkende christenen, en had een speciale missie op zich genomen ten aanzien van de Joodse immigranten. Die waren in de Lage Landen gekomen met hun heilige boeken met Hebreeuwse teksten, en Pfefferkorn had de Habsburgse keizer Maximiliaan, die van de kroon op de Amsterdamse Westertoren, voorgesteld om alle Hebreeuwse boeken in het openbaar te verbranden. In die tijd waren er echter Humanisten opgekomen, die zich de talen van de bijbel, vooral Grieks en Hebreeuws, eigen maakten om betere, filologisch verantwoorde, vertalingen van het Oude en Nieuwe Testament te maken. De Humanist Johann Reuchlin had zich daartoe bekwaamd in het Hebreeuws, was dus een medestander van Erasmus die met datzelfde doel voor ogen Grieks had geleerd, en hij verzette zich tegen deze jacht op het Hebreeuws en op de Joden. Reuchlin kwam op voor het recht van de Joden om hun teksten te behouden, en Erasmus stemde daarmee volledig in. Het verbranden van deze boeken betekende immers een ernstige slag tegen de inspanning van de Humanisten om een cultuur van taalwetenschap te stimuleren. Pfefferkorn deed er toen nog een schep bovenop, en beschuldigde nu ook de Humanist Reuchlin van ketterij. Dat verklaart de uitzinnige woedeaanval van Erasmus jegens Pfefferkorn, die niet was gericht tegen een arme Jood maar tegen een dolle, antisemitische straatvechter die de Joden in de Lage Landen naar het leven stond. Daarbij dacht Erasmus dat Pfefferkorn wellicht de christelijke zaak opzettelijk benadeelde door een voorgewende afzwering van het judaïsme, een gedachte die hem volgens Erasmuskenner Simon Markish 8) door Reuchlin zelf was ingefluisterd.”
Volgens Erasmus had slager Pfefferkorn zich slechts uiterlijk, voor de vorm, nl. om zijn hachje te redden, tot het christendom bekeerd: ‘Als je hem opensnijdt, springen er zeshonderd joden uit’; waarmee hij op zijn bekende spottende, ironische, wijze bedoelde: Pfefferkorn is volgens mij, Erasmus, nog net zo joods (theologisch gezien) als vóór zijn bekering. Niks antisemitisme!
Reuchlin
Johannes Reuchlin (1455-1522) was een invloedrijk Duits Humanist; hij was rechtsgeleerde en voorzitter van het Zwabische Bondsgerechtshof. Hij studeerde Klassieke talen en later ook Hebreeuws. Hij zorgde voor een belangrijke vernieuwing: invoering van Grieks en Hebreeuws als universitaire studies in West-Europa. Hij bestudeerde naast de bijbel ook de talmoed en de kabbala. Hij raakte betrokken bij de zaak Pfefferkorn. Deze kreeg het in 1509 bij keizer Maximiliaan I voor elkaar dat alle Hebreeuwse (rabbijnse) boeken van de Joden uit Keulen en Frankfurt verbrand zouden worden. Nadat de Joden zich hadden beklaagd (in 1510), vroeg de keizer Reuchlin naar zijn mening. Die durfde, nota bene als enige, te stellen (in die tijd beslist niet zonder risico) dat joodse (Hebreeuwse) werken van grote waarde zijn voor theologische studies en daarom niet moesten worden vernietigd. De keizer volgde zijn advies op, wat leidde tot een langdurig conflict tussen Reuchlin en de fel antiketterse en anti-joodse Dominicanen, waartoe Pfefferkorn, die overigens weinig kennis had van de Joodse geschriften waartegen hij streed, behoorde.
De Humanisten, waaronder Erasmus, keerden zich tegen Pfefferkorn. In 1511 publiceerde Pfefferkorn, waarschijnlijk gesteund door de Dominicanen, die i.t.t. de slager wél kennis van zaken hadden, een zeer vijandig werk tegen Reuchlin. Het kwam uiteindelijk zelfs tot een rechtszaak, waarbij de Keulse inquisiteur Jacob van Hoogstraten, ook Dominicaan, hem voor een kettergericht daagde. De zaak werd meerdere malen uitgesteld en hoewel in eerste instantie vóór hem werd beslist, werd in 1520 uiteindelijk tégen Reuchlin gevonnist. Dit vonnis was ingegeven door politieke belangen: de Franse koning Frans I en de Duitse keizer streden op dat moment aan de kant van de Dominicanen tegen de Reformatie.
Conclusie
Het voorafgaande toont aan dat het beeld van Erasmus genuanceerd en veelzijdig is en meer lagen heeft dan het door Erasmus-bashers getoonde simplistische zwart-wit negatief. De conclusie is dan ook onontkoombaar: Erasmus was, ondanks zijn felle uitspraken tegen bepaalde Joodse personen en niettegenstaande zijn uitgesproken afkeer van de joodse godsdienst, geen Jodenhater (geen 'antisemiet'). Zijn persoonlijke aanvallen op Joodse/joodse tijdgenoten waren altijd gericht tegen hun denken of optreden.
Erasmus begaf zich met sommige van zijn uitspraken echter op glad ijs en niet al zijn uitlatingen verdienen een schoonheidsprijs, om het eufemistisch uit te drukken. Een al dan niet opzettelijk verkeerde interpretatie of zelfs bewuste verdraaiing van zijn woorden lag en ligt dan ook voor de hand. Waakzaamheid is dus geboden. Erasmus was hooguit ‘asemitisch’ 8); een term die Simon Markish gebruikte om de houding van Erasmus te karakteriseren: ‘asemitisch’ omdat Erasmus de christelijke godsdienst van alle joodse sporen wilde zuiveren maar verder onverschillig stond tegenover Joden en joden, beslist geen Jodenhater dus, geen ‘antisemiet’.
McCulloch en Jonathan Israel, met graagte aangehaald door Erasmus-bashers, hebben op dit punt gelukkig ongelijk. En op de website Internet Jewish History Sourcebook komt Erasmus niet eens voor, Luther daarentegen als Jodenhater wel. Als Erasmus zo’n grote ‘antisemiet’ was zou hij op deze website zeker vermeld zijn! Zodat de vraag zich voordoet: waarom bijten sommigen zich dan toch zo vast in die misvatting? Voer voor erasmianen, humanisten, vrijdenkers…
Enkele van de geraadpleegde bronnen:
http://www.erasmus.org/ (Erasmus Center for Early Modern Studies)
www.vecip.com (Vrije Encyclopedie van het Conflict Israël – Palestina)
http://www.jewishvirtuallibrary.org/ (The Jewish Virtual Library; onderdeel van the American-Israeli Cooperative Enterprise)
http://www.fordham.edu/HALSALL/jewish/jewishsbook.html (Internet Jewish History Sourcebook)
Noten:
1) Statucide: een door mij bedachte term met twee overlappende betekenissen: a) het opzettelijk vernielen of vernietigen van een (stand)beeld van iemand; b) ‘postume karaktermoord’.
2) Het is onjuist om van antisemitisme te spreken, omdat deze term verwijst naar een taalgroep, de Semitische talen, een subgroep van de Afro-Aziatische talengroep. Tot de Semitische talen behoren o.a. Arabisch, Amhaars (deze taal wordt gesproken in Ethiopië, Eritrea, Egypte en in Israël door de Ethiopische minderheid en is, na het Arabisch, de meest gesproken Semitische taal ter wereld), het bijna uitgestorven Aramees, Hebreeuws, Syrisch, Tigrinya (Ethiopië) en Maltees. (De - rooms-katholieke! – Maltezers noemen god ‘allah’; Malta was van ca. 870-1127 Arabisch.) Het Maltees is afgeleid van een Arabisch dialect onder invloed van de Feniciërs, maar heeft ook sterke invloeden ondergaan van o.a. het Italiaans, het Engels en het Frans. In Libanon wordt o.a. een taal gesproken die sterk op het huidige Maltees lijkt. Het Maltees is de enige Semitische taal die met het Latijnse alfabet wordt geschreven. Maltees is sinds 1 mei 2004 een van de officiële werktalen binnen de Europese Unie. Het is wetenschappelijk dus volstrekt onjuist om Jodenhaat ‘antisemitisme’ te noemen: niemand haat een taalgroep. Hoewel de term ingeburgerd is, pleit ik voor het niet of althans zo weinig mogelijk gebruiken van deze uitdrukking en hem zoveel mogelijk te vervangen door Jodenhaat, anti-judaïsme of judeofobie, naar analogie van resp. vreemdelingenhaat, anti-islamisme, en islamofobie of xenofobie.
3) De term antisemitisme werd voor het eerst gebruikt tussen 1870 en 1880 en wel in Duitsland door Wilhelm Marr o.a. in zijn Antisemitische Hefte (Antisemitische schriften) uit 1879. Een ‘Joodse overwinning’, zo redeneerde hij, zou resulteren in ‘finis Germaniae’ (het einde van de Germanen). Volstrekt waanzinnig. (Opvallend, ondanks de verschillen, is de parallel met de tegenwoordige angst voor de islam - ‘islamitische overwinning’ - bij een groot aantal mensen in het Westen en de rol van de islam bashers…) Marr stichtte in 1879 de Antisemiten Liga - de eerste Duitse organisatie die speciaal de (niet bestaande) ‘bedreiging van Duitsland door de Joden’ wilde bestrijden en hun gedwongen vertrek uit het land voorstond. Een vijandbeeld is voor bepaalde mensen nodig om, in hun eigen woorden, hun ‘eigen cultuur te verdedigen’.
4) Mohammed haalde dezelfde truc uit door te beweren dat de aartsengel Gabriël hem in een metafysisch dictee, dat allah=god zou hebben opgesteld, had gezegd dat de joodse en christelijke godsdienst vervuld waren in en door zijn laatste profeet, zijnde, jawel, Mohammed in hoogst eigen persoon. Allerlei andere zelfbenoemde ‘profeten’ binnen de drie Abrahamitische godsdiensten (onder wie de ook overleden onsterfelijke Lou de Palingboer) hebben dit trucje ook uitgeprobeerd, maar met minder succes…
5) Historicus en biograaf, bestuurslid van de Rotterdamse stichting Huis van Erasmus, projectleider van het Erasmusjaar van het Erasmiaans Gymnasium in Rotterdam, drager van de Erasmus speld. De rede werd uitgesproken op 25 maart 2009 in Rotterdam, nabij het standbeeld van Erasmus, in het kader van Reboot, een Rotterdams project over de vraag: hoe te denken en wat te doen in een toenemend mensgemaakte, kunstmatige wereld?
6) G.B. (Hans) Jansen (1931), Nederlands voormalig rooms-katholiek priester, is hervormd theoloog en historicus. Hij is een expert op het gebied van de studie van het antisemitisme. Hij staat bekend om zijn merkwaardige mening dat de politieke en geestelijke leiders in Europa er alles aan doen om het alomtegenwoordige antisemitisme in het Midden-Oosten systematisch te verzwijgen of te bagatelliseren. Jansen beschouwt ook het Palestijnse verzet tegen de Israëlische bezetting als een vorm van antisemitisme. In 2005 ontving hij vanwege zijn pro-Israël activiteiten de Israël Prijs van de World Zionist Organisation. (Niet te verwarren met de arabist Hans Jansen!)
7) Heiko Oberman (1930-2001): Nederlands historicus en theoloog die in de VS doceerde. Hield zich intensief met de bestudering van het antisemitisme bezig.
8) Simon Markish (1931-2003) was de zoon van een in de Oekraïne (toen deel van het Russische rijk) geboren Joodse schrijver Peretz Markish. Deze werd onder Stalin in 1952 vermoord, samen met andere leiders van het in 1941 opgerichte en door Stalin na het einde van de ‘Grote Vaderlandse Oorlog’ (Tweede Wereldoorlog) ‘volksvijandig’ verklaarde Joodse Anti Fascistische Comité. Simon Markish verliet de Sovjet Unie in 1970 en woonde in Hongarije en Genève, Zwitserland. Hij noemde Erasmus’ houding ‘asemitisch’ omdat deze grote Humanist de christelijke godsdienst van alle Joodse sporen wilde zuiveren maar verder onverschillig stond tegenover Joden.













